Zoals u misschien wel kunt bedenken is frictiewerkloosheid de werkloosheid die ontstaat door frictie op de arbeidsmarkt. Deze frictie tussen vraag en aanbod is op een markt die zo groot en complex is als de arbeidsmarkt nagenoeg onvermijdelijk.  De frictiewerkloosheid op de arbeidsmarkt wordt door een aantal dingen veroorzaakt. Allereerst is het aanbod van arbeid niet heterogeen. Dit houdt in dat niet iedereen elk soort arbeid even goed kan verrichten en er dus verschillen zijn tussen werknemers. Logischerwijs spelen zaken als opleidingsniveau maar ook werkervaring en werkhouding een rol op de arbeidsmarkt.  Maar ook de wensen van de werkgever die arbeid vraagt zijn van invloed op de arbeidsmarkt. Omdat beide partijen niet over volledige informatie beschikken blijven ze zoekende naar de beste mogelijkheden. Door deze constante zoektocht naar informatie over vraag en aanbod ontstaat de frictie op de arbeidsmarkt. De tijd die over het sluiten van een arbeidsovereenkomst heen gaat speelt hier ook nog eens bij mee. Al deze factoren zorgen ervoor dat er ondanks genoeg aanbod van werk toch nog werkloosheid kan blijven bestaan.

Natuurlijk probeert de overheid de frictiewerkloosheid in te perken. Hoe minder werkloosheid er is, hoe minder uitkeringen zij immers hoeven uit te keren. Één van de manieren waarop de overheid de frictie probeert terug te dringen is het streven naar een transparante markt. Op een transparante markt is er meer informatie beschikbaar over zowel de vraag als aanbodzijde van de arbeidsmarkt.  Dit kan men in de praktijk terug zien doordat werkzoekenden een overzicht krijgen van echt alle vacatures waarvoor zij in aanmerking komen. Een transparante markt zal zodoende leiden tot betere keuzes en een beter functioneren van de markt.  De overheid heeft in het verleden ook geprobeerd door middel van spreiden van economische activiteit de frictie te verkleinen. Grote kantoren werden dan, om de frictiewerkloosheid omlaag te brengen, naar bijvoorbeeld Groningen verplaatst.